Chromosoomafwijkingen
Dit zijn ziekten die ontstaan door een afwijking in het aantal of de
structuur van onze chromosomen. Een frequente chromosoomafwijking is
Down syndroom(mongolisme).
Monogenische
afwijkingen
Monogenische afwijkingen zijn erfelijke ziekten die ontstaan door mutatie(s)
in één enkel gen. Zij kunnen autosomaal dominant, autosomaal
recessief, X-gebonden of Y-gebonden worden overgeerfd. Een frequente
monogenische afwijking is mucoviscidose(taaislijmziekte).
Metabole ziekten
Metabole ziekten zijn monogenische ziekten die ontstaan door gebrek aan
een eiwit dat belangrijk is in de stofwisseling van de cel. Voorbeelden
van metabole ziekten zijn Phenylketonurie(PKU) en de ziekte van Pompe.
Multifactoriele afwijkingen
Multifactoriele afwijkingen zijn erfelijke afwijkingen met een geringe
genetische componente. Zij ontstaan door een interactie tussen milieufactoren
en verschillende erfelijke factoren. Voorbeelden van multifactoriele
ziekten zijn spina bifida, suikerziekte en hart- en vaatziekten.
Specifieke afwijkingen
Meer informatie over de talrijke erfelijke ziekten.
Chromosoomafwijkingen
A. Afwijkingen van het aantal chromosomen(numerieke
chromosoomafwijkingen)
Elk normaal persoon heeft in iedere cel van zijn lichaam 46 chromosomen.
Personen met te veel of te weinig chromosomen hebben een chromosoomafwijking.
Deze chromosoomafwijkingen worden “numerieke chromosoomafwijkingen“ genoemd
. Aangezien er veel verschillende chromosomen zijn, bestaan er ook veel
verschillende chromosoomafwijkingen. In de meeste gevallen lijden deze
tot ernstige lichamelijke en geestelijke afwijkingen. Het meest bekende
voorbeeld van een chromosoomafwijking is mongolisme dat vaak ook syndroom
van Down wordt genoemd omdat Dokter Langdon Down(1866) deze chromosoomafwijking
als eerste beschreef in de medische literatuur. In de genetica, en in
de geneeskunde in het algemeen, worden ziekten vaak genoemd naar de arts
die de ziekte voor het eerst beschreef.
Een syndroom is een ziekte waarbij er afwijkingen zijn van verschillende
organen, zoals de ogen, hersenen en het hart. Bij het syndroom
van Down vormt de verstandelijke achterstand het voornaamste kenmerk,
terwijl ongeveer de helft van de Down patienten een aangeboren hartafwijking
vertoont.
 |
 |
| Baby
met Down syndroom. |
Kind
met Down syndroom. |
Het syndroom van Down wordt veroorzaakt door een extra derde
chromosoom 21. Deze patiënten hebben dus geen 46, maar 47 chromosomen.
Terwijl iedereen twee chromosomen 21 heeft, zijn er bij deze patiënten
3 chromosomen 21 aanwezig. Men spreekt daarom van een trisomie 21. De
oorzaak van een trisomie ligt meestal bij de vorming van de geslachtscellen(de
eicel van de moeder of zaadcel van de vader). Normaal bevatten de geslachtscellen,
die bij de bevruchting samenkomen, elk 23 chromosomen met 1 chromosoom
21. Wanneer echter één van de geslachtscellen een chromosoom
21 te veel heeft, zal de bevruchte eicel waaruit de baby ontstaat, 47
chromosomen hebben, met 3 chromosomen 21.
 |
| Een meisje(twee X chromosomen)
met Down syndroom: er zijn 47 in plaats van de normale 46 chromosomen
met 3 in plaats van de normale 2 exemplaren van chromosoom 21.
Men spreekt ook van een trisomie 21. |
Met
de leeftijd van de moeder, met name vanaf het 36 ste jaar, stijgt het
risico dat de eicel 2 in plaats van 1 chromosoom 21 bevat, en neemt dus
ook het risico op een kind met het syndroom van Down toe. Daarom laten
zwangeren die iets ouder zijn(meestal vanaf de leeftijd van 36 jaar)
vaak een onderzoek voor de geboorte(prenataal
onderzoek) doen om uit te sluiten dat de vrucht een trisomie of een
andere chromosoom afwijking heeft. Een gemiddeld ouderpaar heeft een
risico van ongeveer 1:200 op een kind dat geboren wordt met een chromosoomafwijking.
Het risico neemt uiteraard toe met de leeftijd van de moeder. In ongeveer
de helft van de chromosoomafwijkingen gaat het om een trisomie 21.
 |
| Het risico op een kind met
Down syndroom neemt toe met de leeftijd van moeder. |
Andere numerieke chromosoomafwijkingen zijn trisomie 13(ook syndroom
van Patau genoemd ), en trisomie 18(ook syndroom van Edwards genoemd
).
Trisomie 13 is een zeer ernstige chromosoomafwijking waarbij de kinderen
vroeg overlijden. De babies met trisomie 13 hebben ook vaak een gesleten
lip en verhemelte, hersenafwijkingen en hartafwijkingen.
 |
 |
| Trisomie 13 baby met een gespleten lip en verhemelte. |
Trisomie 13: er bestaan 3 chromosomen 13, en het
totale aantal chromosomen is 47. |
Ook trisomie 18 of syndroom van Edwards is een ernstige chromosoomafwijking
waarbij de babies meestal in het eerste levensjaar overlijden. Kenmerken
zijn hersenafwijkingen, hartafwijkingen, een kleine mond en afwijkende
handjes met gebalde vuistjes.
 |
 |
| Trisomie 18 baby met kleine mond, gespleten lip,
laagingeplante oortjes, gebalde vuist en ademhalingsmoeilijkheden. |
Trisomie 18 met 47 chromosomen en 3 chromosomen
18. |
De numerieke chromosoomafwijkingen van de geslachtschromosomen, het X
chromosoom en het Y chromosoom zijn minder ernstig. Bij het syndroom
van Turner betreft het meisjes met 1 in plaats van twee X chromosomen(monosomie
X), die meestal te klein zijn, geen menstruatie hebben en onvruchtbaar
zijn. Vaak ook bestaat er een brede hals en opgezwollen handen en voeten,
vooral bij babies. De verstandelijke ontwikkeling is normaal of licht
vertraagd.
 |
|
| Meisje met Turner syndroom is te klein, en vertoont
de brede nekplooien, en opgezwollen voetjes |
Een meisje met Turner syndroom heeft 45 chromosomen
met slechts 1 in plaats van 2 X chromosomen. |
Wanneer de moeder van een kind met een numerieke chromosoomafwijking
opnieuw zwanger is, bestaat er meestal slechts een licht verhoogd risico
op een tweede kind met een chromosoomafwijking(1 à 2% bovenop
het leeftijdsrisico). De overige familieleden hebben geen verhoogd risico
op een kind met een numerieke chromosoomafwijking. De numerieke chromosoom
afwijkingen zijn dus eigenlijk niet erfelijk in de zin van overerfbaar,
alhoewel het wel afwijkingen zijn van ons erfelijk materiaal.

B. Afwijkingen in de structuur
van de chromosomen(structurele chromosoomafwijkingen)
Naast het aantal chromosomen kan ook de structuur of vorm van de chromosomen
afwijkend zijn. Men spreekt dan van “structurele chromosoomafwijkingen“.
Er bestaan een groot aantal structurele chromosoomafwijkingen.
B1.
Deleties
Soms is er een stukje chromosoom te weinig: dit wordt deletie genoemd.
Personen met een deletie vertonen vrijwel steeds een ernstige mentale
handicap en verscheidene fysische afwijkingen. Voorbeelden van een
chromosoomdeletie zijn het Angelman syndroom(deletie van chromosoom
15) en het Shprintzen syndroom(deletie van chromosoom 22) .
B2. Inserties
Soms is er een stukje chromosoom te veel: dit wordt insertie genoemd.
B3. Inversies
Wanneer een stukje chromosoom 180 ° rond zijn as draait, spreekt
men van een inversie. Er bestaan 2 soorten inversies: pericentrische
en paracentrische. Bij een paracentrische inversie is slechts één
van de twee armen van het chromosoom betrokken(ofwel de korte, ofwel
de lange arm).
B4. Translocaties
Soms zit er een stukje van het ene chromosoom op een ander chromosoom
wat translocatie wordt genoemd. Wanneer de stukjes gewoon van chromosoom
verwisseld zijn, spreekt men een reciproke translocatie.
Wanneer
twee chromosomen aan mekaar komen vast te zitten spreekt men van een
Robertsonian translocatie.
Algemeen kan gesteld worden dat structurele chromosoomafwijkingen slechts
een syndroom veroorzaken wanneer er een stukje chromosoom teveel of
te weinig is: de structurele chromosoomafwijkingen worden dan ongebalanceerd
genoemd. Vaak heeft één van de ouders van een afwijkend
kind met een ongebalanceerde structurele chromosoomafwijking zelf een
gebalanceerde chromosoomafwijking. Deze ouder vertoont dan zelf geen
lichamelijke afwijkingen, maar heeft wel een risico op kinderen met
afwijkingen. Structurele chromosoomafwijkingen zijn dus in tegenstelling
tot numerieke chromosoomafwijkingen wel erfelijk.
Een dergelijke translocatie brengt een verhoogd risico op een chromosoomafwijking
mee in volgende zwangerschappen. Een prenataal chromosoomonderzoek
na vruchtwaterpunctie of vlokkentest is dan aangeraden. Bovendien is
ook onderzoek van de naaste familieleden aangewezen omdat deze de gebalanceerde
chromosoomafwijking kunnen dragen, en dan ook een verhoogd risico hebben
op kinderen met een ongebalanceerde afwijking met een syndroom tot
gevolg.
Monogenische afwijkingen
Wanneer een erfelijke ziekte bepaald wordt door een afwijking in één
enkel gen, spreekt men van een monogenische ziekte. Wanneer een ziekte
veroorzaakt wordt door een interactie tussen verschillende genen en
milieufactoren, spreekt men van een multifactoriele ziektebeeld.
Hier worden de monogenische ziekten en hun overerving besproken. De
metabole ziekten, die een speciale groep erfelijke ziekten vormt binnen
de monogenische ziekten, worden in paragraaf 3.3 besproken.
Monogenische afwijkingen worden veroorzaakt door afwijkingen in één
enkel gen. Deze afwijkingen worden mutaties genoemd. Wanneer de mutatie
in een autosoom gen gelegen is spreekt men van een autosomale ziekte.
Wanneer de mutatie in een gen op het X- of het Y-chromosoom ligt, wordt
respectievelijk van een X-gebonden of een Y-gebonden ziekte gesproken.
De manier van overerving van een ziekte wordt mede bepaald door de
positie van het gen dat de ziekte veroorzaakt(autosoom, X-chromosoom,
Y-chromosoom). Anderzijds kan de specialist-geneticus ook de erfelijkheid
bepalen door de overerving van de ziekte in de familie na te gaan.
Hij maakt dan een familiestamboom. In een stamboom worden de vrouwen
met een rondje aangeduid, en de mannen met een vierkantje. De oudere
generaties staan bovenaan, en de jongere generaties onderaan. De ingekleurde
personen zijn de familieleden die de erfelijke ziekte hebben, en de
lege symbolen stellen de gezonde personen voor.

A. Autosomaal dominante
ziekten
Autosomaal dominante ziekten zijn erfelijke ziekten waarbij één
enkele mutatie in één kopie van een autosomaal gen volstaat
om de ziekte te ontwikkelen. Een persoon met een dergelijke ziekte
heeft dus één mutant en één normaal ziektegen.
Een autosomale mutatie kan overgeerfd zijn van vader of moeder, die
dan ook de ziekte hebben. Anderzijds kan de mutatie ook ontstaan zijn
bij de patient, en wordt dan nieuwe mutatie of de novo mutatie genoemd.
Elke patient met een autosomaal ziektebeeld heeft een risico van 1
op 2 op een kind met hetzelfde ziektebeeld, alhoewel de ernst van het
ziektebeeld kan wisselen van persoon tot persoon, zelfs binnen éénzelfde
familie.
 |
| Stamboom met een autosomaal
dominant erfelijke ziekte die van grootvader(boven links) naar
zijn 2 zoons en dochter(middelste rij) werd doorgegeven. De zoon(middelste
rij rechts) heeft de ziekte op zijn beurt doorgegeven aan zijn
zoon en dochter(onderste rij). |
Autosomaal dominante ziekten worden vaak van generatie tot generatie
overgeerfd. Wanneer er een generatie wordt overgeslagen, zegt men dat
de ziekte een onvolledige penetrantie heeft.
 |
| Autosomaal dominante ziekte
met onvolledige penetrantie in persoon 1 uit generatie II. |
 |
| Bij een autosomaal dominante
ziekte heeft een patient een mutant gen H en een normaal gen
h, en kan dus zowel het mutante gen H als het normale gen h doorgeven
via de spermacel of de eicel. De aangetrouwde ouder is gezond,
heeft dus 2 normale genen (hh), en geeft dus altijd een normaal
gen h door aan het nageslacht. Er zijn dus 4 combinaties mogelijk
bij de kinderen: Hh(patient), hH(patiënt), hh(gezond), en
hh(gezond). In totaal heeft één op 2 kinderen van
een patient dus ook de ziekte. |
Enkele voorbeelden van autosomaal dominante ziekten zijn de spierziekte van Steinert(Dystrofia
Myotonica), de ziekte van Huntington, en sommige vormen van borstkanker, darmkanker,
en de dementie van Alzheimer .
Vele van deze dominante ziekten vertonen slechts symptomen op latere leeftijd.
DNA-onderzoek vóórdat er ziekteverschijnselen optreden, wordt voorspellend
of predictief onderzoek genoemd. Dergelijk predictief onderzoek kan van belang
zijn voor gericht periodiek onderzoek om ziekteverschijnselen vroegtijdig op
te sporen zoals bij kanker(bv screening voor borstkanker door mammectomie) maar
ook voor verdere gezin- en levensplanning(bv bij de ziekte van Huntington).
B.
Autosomaal recessieve ziekten
Autosomaal recessieve ziekten zijn erfelijke ziekten waarbij er een
mutatie is in beide kopieen van het gen. De patienten hebben dus twee
mutante genen en geen enkel normaal gen. Een persoon met een recessieve
mutatie in één kopie met een normale tweede kopie wordt
drager of heterozygoot genoemd. Beide ouders van een patient met een
autosomaal recessieve ziekte zijn dragers(heterozygoten) van de ziekte.
Dragerschap bij de ouders komt meestal pas aan het licht door de geboorte
van een kind met de betreffende ziekte. Het risico op een volgend kind
met de ziekte(herhalingskans) bedraagt voor elk volgend kind gezin
1 op 4. De kinderen van een patient zijn allen drager, maar er bestaat
slechts een klein risico dat de kinderen van een patient eveneens de
ziekte vertonen. Gezonde broers en zussen van een patiënt hebben
een kans op dragerschap van 2/3. Autosomaal recessieve ziekten komen
vaker voor wanneer de ouders familie van elkaar zijn omdat de kans
dat ze beide drager zijn van éénzelfde recessieve mutatie
in dat geval verhoogd is.
 |
| Stamboom met een autosomaal
recessieve ziekte bij broer en zus(oranje symbolen). Beide ouders
zijn gezond, maar drager van de genetische afwijking. Autosomaal
recessieve ziekten komen vaker voor wanneer de ouders verwant
zijn, zoals hier neef en nicht. Autosomaal recessieve ziekten
komen bijna steeds slechts in 1 generatie voor. |
 |
| Bij een autosomaal recessieve ziekte zijn beide
ouders drager van een mutatie in hetzelfde gen. Zij hebben dus
alle twee een mutant gen c en een normaal gen C, en kunnen dus
zowel het mutante gen c als het normale gen C doorgeven via de
spermacel of de eicel. Er zijn dus 4 combinaties mogelijk bij
de kinderen: CC(normaal), Cc(drager), cC(drager), en cc(ziek).
Een van de 4 kinderen(cc) is dus patient, terwijl drie van de
4 kinderen (CC, Cc, cC) gezond zijn. Twee van de drie gezonde
kinderen zijn drager. |
Enkele voorbeelden van autosomaal dominante ziekten zijn mucoviscidose(taaislijmziekte)
en hemochromatose.

C. X-gebonden ziekten
X-gebonden ziektebeelden zijn erfelijke ziekten waarbij er één
enkele mutatie in een X-gebonden gen bestaat. De meeste X-gebonden
ziektebeelden zijn ernstiger bij mannen dan bij vrouwen omdat mannen
maar 1 X-chromosoom hebben en vrouwen 2. Vaak hebben vrouwelijke draagsters
geen symptomen van de ziekte. Het aantonen van dragerschap is natuurlijk
van groot belang voor vrouwelijke familieleden van aangedane mannen
omdat zij een risico lopen dat hun zonen de ziekte in volle ernst krijgen.
Een X-gebonden mutatie kan overgeerfd zijn van moeder, die dan draagster(heterozygoot)
is en soms milde symptomen van de ziekte heeft. De kans op een volgend
kind met de ziekte voor een dergelijke draagster is 1 op 4. Anderzijds
kan de mutatie ook ontstaan zijn bij de patient, en wordt dan nieuwe
mutatie genoemd. Het risico van een man met een X-gebonden ziektebeeld
op zonen met dit ziektebeeld is niet verhoogd(omdat hij zijn Y-chromosoom
aan zijn zonen doorgeeft terwijl de ziekte op het X-chromosoom ligt).
Wel is elk van zijn dochters draagster met mogelijk lichte symptomen.
Deze dochters hebben een risico van 1/4 op een zoon met de ziekte.
 |
| Een X-gebonden
recessieve ziekte komt enkel voor bij jongens(zwart ingekleurd).
De ziekte wordt overgeerfd via gezonde vrouwen die draagsters
zijn(bolletjes met puntje). |
 |
| X-gebonden recessieve overerving. |

D. Y-gebonden ziekten
Deze ziekten ontstaan door een mutatie in een gen op het Y-chromosoom.
Het menselijke Y-chromosoom bevat echter zeer weinig genen zodat er
ook weinig Y-gebonden ziektebeelden zijn. Vele genen op het Y-chromosoom
hebben een functie in de mannelijke vruchtbaarheid. Mutaties in Y-gebonden
genen veroorzaken dan ook vaak fertiliteitsproblemen bij de man.
Gezien deze vruchtbaarheidsproblemen, worden deze mutaties dan ook
meestal niet aan het nageslacht doorgegeven.

E. Eigenschappen van monogenische
ziektebeelden
De belangrijkste eigenschappen van monogenische ziektebeelden zijn
samengevat in onderstaande tabel.
| |
Autosomaal Dominant |
Autosomaal Recessief |
X-gebonden |
| Aantal mutaties bij patiënten |
1 |
2 |
1 |
| Geslacht patiënten |
beide |
beide |
vooral jongens |
| Risico* op een broer of zus
met de ziekte |
- klein
indien geen van beide ouders drager is
- 1/2 indien één van beide ouders drager is
|
1/4 |
- klein indien moeder geen drager
is
- 1/4 indien moeder drager is |
| Risico* op kinderen met
de ziekte |
1/2 |
klein |
klein |
| Risico* op kleinkinderen met
de ziekte |
1/4 |
klein |
1/8 |
* =
De risico’ s gelden voor de patient die de erfelijke ziekte
heeft.
Metabole
ziekten
Metabole ziekten zijn erfelijke ziekten van het metabolisme, onze stofwisseling;
ze worden dan ook aangeboren stofwisselingsziekten of inborn errors
of metabolism genoemd. Ze ontstaan door genmutaties, die verantwoordelijk
zijn voor een tekort(deficiëntie)
aan een welbepaald enzym. Enzymen zijn eiwitten, die bepaalde stoffen
in ons lichaam omzetten in andere stoffen. Een persoon met een metabole
ziekte heeft dus een tekort aan één van onze enzymen.
Hierdoor wordt de balans in de cel van sommige stoffen(metabolieten)
ontregeld: er ontstaat een overschot van sommige metabolieten, en een
tekort aan andere. Enzym deficiënties
hebben een recessieve overerving(autosomaal of X-gebonden). Er bestaan
meer dan 100 van deze metabole ziekten. Ze kunnen opgespoord worden
door bepaling van de aktiviteit van het desbetreffende enzym in bloed
of huidcellen. Ook metabolietonderzoek van bloed of urine kan deze
ziekten detecteren. DNA onderzoek in het gen dat voor het enzym in
kwestie codeert, kan de enzymdeficientie bevestigen.
Enkele bekende stofwisselingsziekten zijn phenylketonurie(PKU), de
ziekte van Pompe en de ziekte van Tay-Sachs.
 |
| Bij patienten met de stofwisselingsziekte
PKU(Phenyl Keton Urie) bestaat er een tekort aan het eiwit PAH(Phenyl
alanine hydroxylase) dat phenyalanine omzet in tyrosine. Hierdoor
bevat de urine allerlei abnormale metabolieten die kunnen opgespoord
worden. |

Multifactoriele afwijkingen
Multifactoriële afwijkingen worden veroorzaakt door een interactie
van multipele factoren. Dit kunnen zowel genetische factoren zijn als
milieufactoren. Multifactoriele aandoeningen zijn frequenter dan chromosoom-afwijkingen
of monogene ziekten, die elk een frequentie hebben van ongeveer 1%.
Aangeboren multifactoriele aandoeningen zoals neurale buis defecten(spina
bifida) of gespeten lip/gehemelte komen voor bij ongeveer 3% van de
babies. Multifactoriele aandoeningen, die zich op latere leeftijd manifesteren
zijn echter veel frequenter want de meeste mensen zullen ooit één
of meerdere multifactoriele aandoeningen zoals diabetes, hoge bloeddruk,
of hart- en vaatziekten ontwikkelen. Van de meeste multifactoriele
aandoeningen is nog onbekend welke genen en welke milieufactoren een
rol spelen, en hoe ze op elkaar inspelen. Ook de overerving is vaak
onduidelijk. De ziekte wordt niet als een monogene ziekte overgeërfd,
en het risico om de ziekte over te erven wordt door een aantal factoren
bepaald: hoe ernstiger de afwijking in de familie, hoe hoger het risico;
hoe meer familieleden de ziekte hebben, hoe hoger het risico; hoe dichter
de familieleden met de ziekte, hoe hoger het risico. Er is nog niet
veel bekend over de milieufactoren, die mede leiden tot multifactoriele
ziektebeelden. Van vet in het dieet is het bekend dat het leidt tot
hart-en vaatziekten; van roken is bekend dat het in kombinatie met
de anticonceptiepil kan leiden tot thrombose, van foliumzuur dat als
tablet wordt genomen tijdens de zwangerschap is bekend dat het de risico’s
op neurale buisdefecten vermindert.

Specifieke afwijkingen
Informatie over de talrijke erfelijke ziekten vindt U op de volgende
websites:
- www.erfelijkheid.nl
- www.nlm.nih.gov/mesh/jablonski/syndrome_toc/toc_a.html

|